Inleiding

Met Beveland bedoelt men de twee voormalige eilanden Zuid- en Noord-Beveland. Ze liggen in het deel van Zeeland dat wordt begrensd door de Ooster- en Westerschelde, en door Walcheren in het westen en Noord-Brabant in het oosten. Tussen de twee Bevelandse eilanden stroomde de Zuidvliet, die sinds de Deltawerken Veerse Meer heet. De geschiedenis van het grootste deel van West-Nederland is ook die van de Bevelanden. In een notendop: er ontstond verspreide bewoning op de schorren, her en der kwamen nederzettingen tot stand, diverse overstromingen traden op waarop werd gereageerd met offensieve bedijkingen, meer dorpen en parochies kwamen tot stand en het schorrengebied werd in etappes ingepolderd. Daarna ontwikkelde zich een steeds moderene infrastructuur. Hieronder wordt in grote lijnen de ontwikkeling van Zuid- en Noord-Beveland chronologisch beschreven.

 

Een aantal vondsten op de Bevelanden toont aan dat ook hier een inheems-romeinse cultuur bestond. Spectaculair is het gegeven van een Romeins heiligdom bij het latere Colijnsplaat, waar aan het begin van de jaartelling een cultus voor de inheems-Romeinse godin Nehalennia bestond. Een tweede tempelcomplex bevond zich tezelfdertijd ook bij Domburg op Walcheren. Onder andere bij Kats, ’s-Heer Abtskerke en Ellewoutsdijk werden bewoningssporen uit deze tijd aangetroffen. Na stijging van de zeespiegel en invallen van Germaanse stammen in de derde eeuw raakte Zeeland grotendeels verlaten. Het achterland van Walcheren werd in de achtste eeuw mondjesmaat weer betreden en gekoloniseerd. Er had zich in de tussentijd een bodemkundig fenomeen voorgedaan, namelijk het dichtslibben van kreken in het schorrengebied. Dit werden kreekruggen die zich leenden voor bewoning en beweiding, aanvankelijk incidenteel, later meer frequent. De eerste nederzettingen bestonden uit groepjes onderkomens voor herders en schapen. Herders lieten in opdracht van Vlaamse abdijen de schapen op de schorren grazen. Toen door de invallen van Noormannen in de 9de eeuw de greep van de abdijen op hun goederen losser werd, kregen lokale leiders van deze nederzettingen de kans om tot een stand van ambachtsheren uit te groeien. Eeuwenlang zouden de dorpen en het leven van de inwoners worden gedomineerd door deze klasse van machthebbers. Zij gaven de aanzet tot bedijking, dorpsuitbreiding, parochiestichting, oorlogvoering en de bouw van verdedigingswerken. De oudste nederzettingen van de Bevelanden kwamen in de 10de eeuw tot stand, zoals Kampen (later: Kamperland), Kats, Yerseke, Rilland, Goes en Borsele. Dorpen waarvan de naam op –inge eindigt kunnen ook nog uit die eeuw dateren. Behalve wol was ook zout, gewonnen uit zouthoudend veen, een belangrijk product. Eeuwenlang zou de moernering worden uitgeoefend, wat ingrijpende gevolgen voor het landschap en de betrouwbaarheid van de dijken zou  hebben. Op de zandruggen vond verder akkerbouw plaats. Hier en daar in het schorrengebied wierp men zogenaamde hollestelles op, aarden heuvels met een uitsparing bovenop waarin zoet water werd gespaard. Om buiten bereik van hoge vloeden te blijven werden woonplaatsen opgehoogd. Veel van de dorpen kwamen uiteindelijk op terpachtige hoogten te liggen. Bij de meeste dorpen lieten de ambachtsheren één of meer kasteelbergen opwerpen. Later werden dit in sommige gevallen modernere kastelen.Er waren dorpen die later twee of meer (Kapelle: 4 of 5) kastelen telden. De belangrijkste lokale adellijke families waren Van Borsele, Van de Maalstede, Van Kats en Van Kruiningen.

 

Een zeer oude tekst, waarin de St. Baafsabdij door keizer Otto II in 976 werd bevestigd in haar bezittingen in Zeeland, verbond Zuid- en Noord-Beveland met elkaar. In deze tekst werd het gebied van de abdij omschreven als ‘in de gouw Beveland al het land vanaf de Zuider-Zuidvliet tot aan Goes en Campen’. Met de Zuiderzuidvliet zal de kreek de Schenge zijn bedoeld, Goes hoeft geen uitleg, en Campen was een nederzetting die later Kamperland zal heten. Enkele woonplaatsen van het middeleeuwse Noord-Beveland lijken ouder dan die van Zuid-Beveland: bij Kats zijn vondsten uit de Karolingische tijd gedaan, en de plaatsnaam Conichem (Koningsheem) met de oude uitgang -heem wijst op een hoge ouderdom. Op Zuid-Beveland zijn dergelijke namen onbekend.

 

1000-1400

Vanaf de 11de eeuw trachtten de bewoners van de Bevelanden hun woonomgeving te beveiligen met lokale dijkjes. Een grote overstroming in 1134 gaf de aanzet tot het systematisch bedijken van het kerngebied van Zuid-Beveland. Dit liep globaal van ’s-Heer Arendskerke in het westen tot Kreke in het oosten. De eilanden Borsele en Baarland waren van dit kerngebied afgescheiden door de kreek de Zwake. In het oosten lag het eiland Rilland ten zuiden van de kreek de Hinkelinge. Ongeveer tegelijk met deze bedijkingen na 1134 vonden op grote schaal parochiestichtingen plaats. Dit verklaart de vele dorpsnamen die op - kerke eindigen. In enkele gevallen kwam de aanvankelijk veelal houten dorpskerk op een voormalige kasteelberg te liggen. De dorpsstructuur kon in sommige gevallen uitgroeien tot een ring van huizen rondom de kerk. Lang niet altijd groeide een dorp uit tot deze vorm; als er stagnatie in de groei optrad kon de dorpsring onvoltooid, of helemaal achterwege blijven. In veel dorpen werd op een centrale plaats een dorpsvijver, een vate, aangelegd. In de loop van de 14de eeuw werden veel kerkgebouwen in steen herbouwd, vaak beginnend met de toren. Dorpen die aan vaarwater lagen bleken in het voordeel te zijn. Hier ontwikkelde zich meer handel. De voorspoedige groei van dergelijke dorpen kon leiden tot de status van stad, zoals met Reimerswaal. Goes en Kortgene het geval was. Hier en in enkele dorpen kwamen kloosters tot stand, zoals in Biezelinge en Emelisse.

 

1400-1600

Verbindingswegen tussen de dorpen bestonden er nauwelijks. Alleen via kreekruggen en dijken vond verkeer plaats. Om het marktbezoek aan Goes te verbeteren kwam er in de 15de eeuw een verbinding met Nisse en Kapelle tot stand via schuitvaarten. Gedurende de middeleeuwen vonden onophoudelijk nieuwe inpoldering plaats, zodat de Zwake en de Hinkelinge rond 1500 binnendijks waren komen liggen. Dit resulteerde in een groot aantal kleine poldertjes met evenzoveel besturen, tegenover enkele grote waterschappen: de Breede wateringen Bewesten en Beoosten Yerseke. Het beheer van dijken was soms matig, met name in het oostelijk deel van Zuid-Beveland. Ook Noord-Beveland blonk hierin niet uit. Hier bleken de dijken niet bestand tegen de stormvloeden uit de 16de eeuw, waarmee de stad Reimerswaal en een tiental dorpen verloren gingen. In West-Zuid-Beveland verdween het vroegere eiland Borsele in de golven, terwijl heel Noord-Beveland van de kaart werd geveegd. Pogingen tot herinpolderingen, met name in oostelijk Zuid-Beveland met kapitaal uit Vlaanderen en Brabant (Antwerpen, Mechelen) leidden tot niets.

 

Gedurende de beginjaren van de Opstand was Zeeland en dus ook Zuid-Beveland oorlogsterrein. De dorpen en Goes hadden zwaar te leiden van de Spaanse bezetting en inkwartiering, waardoor Goes tot 1577 Spaansgezind bleef. Het platteland was het decor van landingen en strooptochten van de Geuzen. De kloosters op het platteland en de meeste kastelen werden zwaar beschadigd. Veel van de rijke families die de kastelen in bezit hadden gehad verhuisden naar het zuiden, zodat er niet veel herbouw plaatsvond. Geleidelijk aan dienden zich nieuwe families van rijken aan, die de ambachtsheerlijkheden en de vervallen buitenplaatsen in bezit kregen. In sommige gevallen vond herbouw of nieuwbouw van voormalige kastelen plaats. De meeste middeleeuwse kerken werden rond 1580 voor de protestantse eredienst in gebruik genomen. Ook waren er kerkdorpen, die al dermate gekrompen waren, dat hier geen hervormde gemeente meer tot stand kwam. De kerken werden aan verval overgeleverd. De torens van deze vervallen kerken hielden het het langste vol, ze werden vaak in de loop van de 19de eeuw afgebroken. Mondjesmaat werden hier en daar nieuwe hervormde kerkgebouwen opgetrokken. Rond 1600 ontstond er nieuw elan, en was er voldoende kapitaal, om een deel van het overstroomde gebied terug te winnen. De stad Goes kocht de rechten van Borsele, en legde dit gebied weer droog. Ook een deel van het oude Noord-Beveland kwam weer binnendijks te liggen. Het eiland zou uiteindelijk weer ongeveer zijn middeleeuwse omvang terugkrijgen, nu bestaande uit nieuwe polders. In Oost-Zuid-Beveland vond uiteindelijk in een proces van eeuwen herinpoldering van een smalle strook richting Brabant plaats. Het merendeel van de Breede Watering Beoosten Yerseke bleef echter tot op de dag van vandaag onder water, inclusief de tot de verbeelding sprekende stad Reimerswaal.

 

Een deel van de migratie vanuit de Zuidelijke Nederlanden bereikte ook de Bevelandse dorpen en Goes. Binnen enkele generaties gingen Vlaamse en Brabantse volksaard en gebruiken op in de Zeeuwse. Bij Krabbendijke werden door de Republiek kort na 1600 twee forten gebouwd. Aan de zeedijken van Zuid-Beveland kwamen redouten en soldatenverblijven te liggen, eveneens bedoeld om aanvallen van de vijand te kunnen afslaan. Na 1648 werden de redoutes voor sloop verkocht. Vanaf 1580 was in Goes aan modernisering van de middeleeuwse (1417 privilege) stadsverdediging gewerkt. De verdedigingslinie aan de dijken van het eiland was bedoeld als eerste buffer; Goes werd uitgerust met sterke bolwerken, die ook het hele havengebied beschermden. Hierdoor zou de stad bij een beleg stand kunnen houden, zoals dit in feite ook in de jaren 1572-1577 het Spaanse garnizoen was gelukt. Van handelsplaats in de middeleeuwen, met een grote zoutindustrie, transformeerde de stad tot een marktplaats voor de Bevelanden, met een belangrijke week- en jaarmarkt. De gilden en de middenstand zorgden voor een vrij hoog welvaartsniveau. In de opeenvolgende bouwstijlen werden huizen en openbare gebouwen door de eeuwen heen gemoderniseerd.

 

1600-1900

De infrastructuur van Zuid-Beveland werd in de loop van de 17de eeuw langzaamaan verbeterd met de aanleg van straatwegen vanuit Goes. Een grote verbetering vormde de Postweg die vanaf Yerseke met een veerdienst op Gorishoek aansloot op dezelfde weg op Tholen. De Postweg van Tholen was toen de toegang tot Zeeland. De Postweg liep via Kapelle naar het westen door de Kraaiertpolders, waar een veer over het Sloe de verbinding met Walcheren vormde. Vanuit veel havenplaatsen werden veerdiensten onderhouden. De aanleg van de Postweg vond plaats in het midden van de 18de eeuw. Rond diezelfde tijd werd de kustverdediging van Zuid-Beveland door de dreiging vanuit Frankrijk weer enigszins hersteld. Nadat in 1747 Staats-Vlaanderen en West-Brabant onder de voet waren gelopen stokte de inval. Met het verlies van de forten Lillo en Liefkenshoek in 1785 ontstond de noodzaak om een nieuw fort aan de Westerschelde te bouwen. Dit werd fort Bath, dat in 1786 gereedkwam. Het speelde een kleine rol bij enkele schermutselingen in de Franse tijd. Toen werden op diverse plaatsen op de Bevelanden batterijen en onderkomens voor de kustwacht, de garde coté, gebouwd. Goes verloor zijn functie van vestingstad aan het begin van de 19de eeuw. Na de Belgische onafhankelijkheidsstrijd werd bij Ellewoutsdijk in 1839 een nieuw fort gebouwd, dat met het ertegenover liggende fort in Terneuzen opnieuw voor een afgrendeling van de Westerschelde zou kunnen zorgen.

 

Ondertussen gingen in de 18de en 19de eeuw de inpolderingen met enige regelmaat door. Haventjes aan de dijken van polders verloren door nieuwe inpolderingen hun functie. Dit verschijnsel deed zich overal voor, maar is vooral voor het voormalige eiland Wolphaartsdijk, in 1809 aan Zuid-Beveland vastgepolderd, goed waarneembaar. Al in de middeleeuwen waren er in sommige zeedijken uitwateringssluisjes gebouwd. Soms ontstond een haventje bij de spuikom van een dergelijke sluis, zoals bij Terlucht. Hier en daar bleven gedenk- of sierstenen  in de gemetselde sluisjes bewaard. In de 18de en 19de eeuw groef men nieuwe brede afwateringssloten op Zuid-Beveland, om overtollig regenwater in de herfst en winter te kunnen afvoeren. Op veel plaatsen moesten onder de wegen duikers worden aangelegd. Aan het einde van de 19de eeuw kon door de technische vooruitgang de afwatering worden verbeterd door de bouw van gemalen, zoals dat bij Kattendijke (afgebroken omstreeks 1980) en bij de Piet. In de periode van de 17de tot de vroege 20ste eeuw waren diverse overstromingen opgetreden, zoals die in 1682, 1808 en 1906. Dijkvallen kwamen veel vaker voor. De infrastructuur verbeterde in de tweede helft van de 19de eeuw met de aanleg van het Kanaal door Zuid-Beveland in 1866 (wat samenhing met de inpoldering van de “Engelse Polders” bij Rilland-Bath) en de spoorlijn (1868 in gebruik tot Goes). De zorg voor wegen berustte voornamelijk bij lokale polder- of gemeentebesturen, die over te weinig geld en visie beschikten om hier veel in te verbeteren.

 

1900-2000

Pas in de eerste decennia van de 20ste eeuw verbeterden de wegen langzaamaan, min of meer gedwongen door het toenemende verkeer en de moderne vervoersmiddelen als de auto, fiets en motorfiets. De aanleg van de ringspoorlijn op Zuid-Beveland, gereed gekomen in 1927, was economisch gezien van weinig betekenis. Personen- en vrachtvervoer ging steeds meer over de weg. Een klein gedeelte van de lijn bleef behouden, en wordt nu als museumspoorlijn door vrijwilligers in stand gehouden.

 

De aanleg van de rijksweg in de jaren 1930 maakte de bouw van nieuwe Vlakebruggen noodzakelijk. Onder dreiging van de Duitse inval in 1940 waren op Zuid-Beveland twee verdedigingslinies door het Nederlandse leger aangelegd: de Bathstelling en de Zanddijkstelling. Beide stellingen voldeden aan alle strategische eisen, maar speelden geen rol van betekenis in mei 1940. Een te hulp gesneld Frans leger richtte aan de westkant van het Kanaal door Zuid-Beveland een provisorische linie in tussen Hansweert en Wemeldinge, maar werd door een snelle en onverwachtse oversteek door Duitse troepen over het kanaal overrompeld. De Vlakebruggen werden daarbij opgeblazen. Na hersteld te zijn trof in 1944 de bruggen hetzelfde lot. Ook aan de Sloedam bevonden zich in 1940 verdedigingswerken. In de loop van de oorlog werden deze sterk uitgebreid als onderdeel van de Atlantikwall. Na de oorlog moest veel oorlogsschade worden hersteld, maar niet in de mate als die in West-Zeeuws-Vlaanderen en Walcheren.

 

De overstroming van 1953 die in het oosten en zuiden van Zuid-Beveland veel schade veroorzaakte, en op Noord-Beveland met name Kortgene zwaar trof, bracht het herstel en de modernisering van veel voorzieningen in een stroomversnelling. Het Deltaplan bezegelde het lot van de traditionele landbouw. Polders die onder water hadden gestaan werden naar de nieuwste inzichten verkaveld. In het zuidoosten van Zuid-Beveland kwam in het Sloegebied een modern industriegebied tot ontwikkeling inclusief een kerncentrale. Verkaveling van De Poel en de Kapelse Moer leverde een monotoon landbouwgebied op, met enkele reservaatjes oudland. Ook de Zak van Zuid-Beveland verloor veel van zijn karakteristieke kleinschaligheid. De Yerseke Moer behield zijn middeleeuwse schaal. De aanleg van de vierbaansautoweg in de jaren 1970 met de Vlaketunnel onder het kanaal vormde een verdere vernieuwing van de infrastructuur. Datzelfde gold voor de aanleg van de scheepvaartroute Schelde-Rijnverbinding, wat de situatie in Oost-Zuid-Beveland zeer ingrijpend wijzigde. De modernisering van de sluizen van Hansweert, het verbreden van het Kanaal door Zuid-Beveland, het vervallen van dezelfde sluizen in Wemeldinge, het hier aanleggen van een andere uitmonding van het kanaal, dit waren allemaal grote ingrepen in het landschap. Een andere verandering was het verdwijnen van de laatste autoveerboten in Zeeland, die van Vlissingen naar Breskens, en die van Kruiningen naar Perkpolder. Door de ingebruikname van de Westerscheldetunnel in 2002 waren de veren niet meer nodig. Vlissingen-Breskens bleef als fiets-voetveer bestaan. Nog steeds worden grote werken op Zuid-Beveland voorbereid of uitgevoerd. Recent leverden de aanleg van een gasleiding van Walcheren naar Brabant nieuwe gegevens op. Ook was dit het geval bij het vernieuwen van een gedeelte waterleiding tussen Kloetinge, Kapelle en ’s-Gravenpolder.

 

Oorspronkelijk was ook het latere eiland Noord-Beveland een samenraapsel van een handvol nederzettingen op kreekruggen en schorren. Een groot aantal kreken doorsneed het schorrengebied. Sommige kreken zijn bij naam bekend, zoals de Oude Faal, de Faal, de Oude Lek, en de belangrijkste de Wijtfliet. Deze deelde dit gebied in tweeën. De twee parten werden Bewesten Wijtfliet en Beoosten Wijtfliet genoemd. Na de stormvloed van 1134 werd ook hier een ringdijk aangelegd, waarvoor de Wijtfliet werd afgedamd. Voorlopig bleef Kats een afzonderlijk schiereilandje in het oosten.

 

Het nietige Kats was in de periode 1318-1461 de plaats waar de Hollandse graven als graven van Zeeland werden ingehuldigd. Ook was het een verzamelplaats voor heervaarten. Een hypothese is dat de daar gelegen hebbende zeer hoge berg, vermoedelijk een hollestelle, hiervoor het centrum zou zijn geweest. Een verdere veronderstelling is dat deze heuvel een vóór-christelijke grafheuvel zou zijn geweest, maar dat is wilde speculatie. In ieder geval werd Kats gedomineerd door een zeer aanzienlijke adellijke familie, die hier een kasteel bezat. Leden van deze familie waren invloedrijk aan het hof van de Hollandse graaf.

 

De verdeling van het eiland in twee waterschappen, Bewesten Wijtfliet, en Beoosten Wijtfliet, werd na 1328 veranderd in drie waterschappen, betiteld als Westerderdendeel, Middenderdendeel en Oosterderdendeel. Een tiental dorpen lagen hier, en een ‘smalstad’, Kortgene. Rivaliteit tussen de drie besturen leidde tot een matig dijkbeheer. Enkele kloosters waren op het eiland gesticht, zoals dat van Emelisse en Oostende bij Kats. Diverse vloeden teisterden het eiland in de middeleeuwen. Het herstel van de schade kostte enorme bedragen. Aan het begin van de 16de eeuw nam het aantal dijkvallen toe. Onbekwame dijkgraven slaagden er niet in de dijken op een veilige hoogte te brengen. Juist in 1530 kwam een regeling tot stand, waarmee men in vier jaar tijd de gebrekkige ringdijk zou gaan verbeteren. De overstroming van 5 november 1530 maakte alle plannen en pogingen tot herdijking nutteloos. Het eiland ging onder water voor 70 jaar. De middeleeuwse infrastructuur werd uitgewist. Vanaf 1598 werd het oude eiland in gedeelten teruggewonnen op de zee, allereerst Colijnsplaat en de omliggende polder. Ook kwam in deze tijd de Katspolder tot stand waarbinnen een nieuw dorp Kats werd aangelegd. Veel van de oude families die eigendommen hadden op het middeleeuwse eiland, claimden gedeelten van het ingepolderde nieuwe eiland. Daarnaast investeerden kapitaalkrachtigen van elders in de inpolderingen, waarbij ook de leden van het huis Oranje zich niet onbetuigd lieten. Dijkwerkers en ondernemende lieden uit de omliggende gebieden bouwden hier een nieuw bestaan op. Nieuwe dorpen zoals Wissenkerke en Geersdijk ontstonden ongeveer op de plaats van hun middeleeuwse voorgangers, waarvan de namen soms werden overgenomen. Andere dorpsnamen verdwenen voorgoed.

 

De nieuwe polders van het eiland werden op rationele wijze aangelegd, bestaande uit grote blokken met een gelijkmatig patroon van afwateringssloten. In 1667 werd de Oud-Kortgenepolder ingedijkt. Hierin lagen de restanten van het middeleeuwse stadje. Rondom de kerktoren, die ruim 130 jaar in het water overeind was gebleven, bouwde men een nieuwe toren en een nieuwe kerk. Een grote zandbank oostelijk van Kats werd in 1708 bedijkt onder de naam Oost-Beveland. Dit kleine eilandje ging vanaf 1809 deel uitmaken van de Wilhelminapolder op Zuid-Beveland. Rond 1700 had Noord-Beveland weer min of meer zijn laat-middeleeuwse oppervlakte terug. Aan de noordzijde had men te maken met gevaarlijke veranderingen in de stroming van de Oosterschelde, die tot landverlies zouden leiden. Aan de west- en noordwestzijde van het eiland vond echter aangroei van schorren plaats, die op den duur weer ingepolderd konden worden. Door de eeuwen heen waren enorme kosten nodig om de dijken van Noord-Beveland te behouden.

 

infrastructuur

De infrastructuur van de meeste polders en de dorpen was erg overzichtelijk. Meestal kwamen een noord-, oost-, west- en zuidweg tot stand. Bij de dorpen vond men vaak een haventje, waar ook een uitwateringssluis was gebouwd. De voornaamste dorpsstraat liep vaak naar de haven; dergelijke dorpen noemt men voorstraatdorpen. Het verkeer was verder aangewezen op de matig of slecht begaanbare polderdijken en veerdiensten. In de meeste polders vond men een stelberg, een kunstmatige heuvel die vaak uit de tijd van de overstroming tussen 1530-17de eeuw dateerde. De functie van een dergelijke berg was het verschaffen van drinkwater aan schapen, die hier bij extreem hoog water ook een schuilplaats vonden. Bij de aanleg van de polders kwamen grote boerderijen tot stand, en bij de dorpen werd vaak een molen gebouwd. Ook bouwde men hervormde kerken in de dorpen. In de loop van de 19de eeuw waren ondernemende boeren betrokken bij de bouw van een tiental meestoven op het eiland. Na 1870 verloor deze teelt zijn betekenis. Plannen om de voornaamste veerverbinding, die tussen Wolphaartsdijk en Kortgene, in 1940 door een brug te vervangen konden door de Tweede Wereldoorlog niet worden uitgevoerd. De Watersnood van 1953 deed 12 polders onder water lopen. In Kortgene verdronken tientallen mensen en de materiële schade was enorm. De Muraltmuurtjes bovenop de zeedijken, geconstrueerd rond 1910, boden niet de gewenste veiligheid. Na herstel van de schade volgde de uitvoering van de Deltawerken. Noord-Beveland werd via de Zandkreekdam en de Veersedam aan Zuid-Beveland en Walcheren verbonden, waarbij het Veerse Meer ontstond. De Zeelandbrug vormde vanaf 1966 een belangrijke verkeersschakel met Schouwen-Duiveland. Een tweede verbinding werd aangelegd bovenop de Stormvloedkering in de Oosterschelde, die in 1986 gereed kwam. Voor dit spectaculaire bouwwerk moest in de monding een nieuw eiland, naar een zandbank Neeltje Jans genoemd, worden aangelegd. Met deze kering werd de hoge kwaliteit van het watermilieu in de Oosterschelde veiliggesteld zonder dat de veiligheid in het geding kwam.

 

Frank de Klerk, Gemeentearchief Goes

 

Bronnen en literatuur

Over de geschiedenis van de Bevelanden is evenals van andere delen van Zeeland overvloedig veel materiaal beschikbaar, hoewel dat over Noord-Beveland wat kariger is. Van de voormalige gemeenten is vaak wel archiefmateriaal uit de laatste twee eeuwen bewaard gebleven. Daarvóór zijn rechterlijke archieven van schout en schepenen te raadplegen. In sommige gevallen gaan deze terug in de tijd tot de 16de eeuw. Ook zijn van veel polderbesturen archieven bewaard gebleven. Van de middeleeuwse stad Goes bleef een behoorlijk deel van het stadsarchief gespaard.

 

Enkele van de meest voor de hand liggende boeken over de geschiedenis van de Bevelanden:

M.P. de Bruin, M.H. Wilderom. Tussen Afsluitdammen en Deltadijken. I. Noord-Beveland. Middelburg 1961.

P. van Cruyningen. Boerderijbouw in Zeeland van de tiende tot de twintigste eeuw. Utrecht 2002.

C. Dekker, Zuid-Beveland. De historische geografie en de instellingen van een Zeeuws eiland in de Middeleeuwen. Zwolle 1970, Krabbendijke 1982.

M.K.E. Gottschalk. Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland. I-III. Assen 1971-1977.

G. Sandberg. Overzetveren in Zeeland. Zevenhonderd jaar vervoer te water. 1978.

A. van Steensel. Edelen in Zeeland. Macht, rijkdom en status in een laatmiddeleeuwse samenleving. Hilversum 2010.

M.H. Wilderom. Tussen Afsluitdammen en Deltadijken. Midden-Zeeland (Walcheren en Zuid-Beveland). Vlissingen 1968.

 

Websites: http://provincie.zeeland.nl/cultuur/chs/gebiedsbeschrijvingen. Gebiedsbeschrijving van Beveland.