Ontstaan

De oudste sporen van bewoning, die in deze omgeving zijn gevonden, dateren van rond het begin van onze jaartelling. Bij deze vondsten was een armband van git uit de Late IJzertijd (200 voor Christus - 0) die op het veen in de omgeving van Sint-Maartensdijk werd gevonden. Bij een opgraving ten oosten van Poortvliet zijn twee meter onder het maaiveld, eveneens op het veen, de restanten van een boerenwoning met Romeins en vroeg inheems gebruiksaardewerk uit de 2de eeuw zijn aangetroffen. Dit wijst erop dat daar toen ook bewoning was.

Tijdens de transgressiefase van 300-500 na Chr. toen de zee zich in deze gebieden ster­ker deed gelden, is het veenpakket, waarvan de dikte varieert van enkele centimeters tot 2 meter -in de Weihoek onder Poortvliet is zelfs 385 cm veen gevonden -met een laag zeeklei overdekt. Er zullen hier toen geen mensen hebben gewoond.

In de Karolingische tijd na 800 zijn deze gebieden - mogelijk niet in een aaneengesloten periode - weer bewoond. Sporen hiervan in de vorm van schapenmest en botsplinters zijn onder de Westkerkse berg aangetroffen. Bij een onderzoek van deze vlucht- en kasteelberg zijn in de nabijheid van een oven houtskoolresten gevonden waarvan de ouderdom met de C 14 methode is bepaald op circa 1015. In deze berg is ook Pingsdorf- en Andenneaardewerk gevonden uit de eerste helft van de 12de eeuw.

In die tijd werden de oudelandgronden door een nieuwe transgressiefase be­dreigd. Zo teisterde een grote stormvloed in 1014 de Vlaamse kust. Moge­lijk heeft deze ook voor Tholen ge­volgen gehad. Na de stormvloeden uit de eerste helft van de 11de eeuw is het enige tijd rustig. In 1134 slaat de zee opnieuw toe, waarschijnlijk zijn toen grote delen van Zuid-Beve­land blijvend overspoeld. Ongetwij­feld heeft ook de zuid­kant van Tholen van deze stormvloed ernstig geleden. De inbra­ken vonden vermoedelijk hoofdzakelijk plaats vanuit de Pluim­pot en de Striene, een tweetal grote geulen die het huidige eiland Tholen doorsneden. Het zijn de stormvloeden uit deze periode die de aanleiding waren tot het opwerpen van hoogten en de aanleg van dij­ken.

 

Werven

Op Tholen hebben in de oudste polders een twaalftal bergjes (werven) gele­gen, die tussen de 9de en 12de eeuw zijn opge­worpen. Ver­moedelijk zijn een aantal hiervan meerdere malen verhoogd. Het oudste deel, de zoge­naamde kernheuvel die niet hoger dan 2 à 3 meter was, zou als vlucht­berg in tijden van hoogwater hebben gediend. De latere verhogingen hadden waarschijnlijk een militai­re beteke­nis. Van deze vlied- of kasteelberg­jes is alleen de eerder genoemde Westkerkse berg bewaard gebleven. In deze berg, die in drie perioden is opge­worpen en meer dan 8 m hoog was, is in de bovenste laag een deel van een fundament van een verdedigingsto­ren aangetroffen.

Kort na de inbraken is men begonnen met de aanleg van dammen en dijken om zo de hoogst liggende delen te beschermen. Zo werd de inbraakgeul bij Scherpenisse afgeslo­ten. Uit een oorkonde van 1285 is de naam Scarpe-nissedam bekend. De direct ten noor­den van het dorp Poortvliet gelegen Burger­meet en Stompersdijk werden tegen deze inbraken beschermd door de aanleg van de Engelaarsdijk, Paasdijk en Stompersdijk.

De techniek van de 12de-eeuwse Zeeuw was inmiddels zover gevorderd, dat hij zich niet meer behoefde te beper­ken tot de aanleg van plaatselijke kadijkjes, hoewel zeker nog ge­bruik werd gemaakt van de in het terrein aanwezige hoogten. Het grondverzet voor deze dijken, die zeker niet ho­ger dan twee meter zijn geweest, was met de toenmalige primitieve hulpmid­delen mogelijk door de toename van de bevolking.

 

Na de 12de-eeuwse defensieve bedij­kingen van Stavenisse (ver­dronken in 1509), de Ou­delandpolder van Sint-Maartensdijk, Scherpe­nisse, Poortvliet en Schakerloo werden pol­ders offen­sief bedijkt, zij het, dat men alleen de hooggelegen schorren met een ruim voor­land inpolderde.

Oud-Vossemeer ontstond eerst in de 15de eeuw door de bedijking van de polder van Oud-Vossemeer tegen Tholen in (1411). Het gelijknamige dorp ligt in de rond 1450 bedijk­te Kerkepolder.

Sint-Annaland ontstond in dezelfde eeuw door de inpoldering van een tweetal opwassen (1476), die door de Breedenvliet werden ge­scheiden.

Het eerste Sint-Philipsland is waar­schijnlijk in 1487 bedijkt. De storm­vloed van 1532 bete­kende het einde van dit eilandje. Vanaf dit "drijven­de" Sint-Philipsland trokken de Span­jaarden in 1575 te voet door het Zij­pe naar Schouwen-Duiveland waar zij Zierikzee ver­overden. Nu is het er 40 meter diep. De hui­dige Oudepolder van Sint-Philipsland is in 1645 ingepolderd. Daartegen werd in 1776 en 1777 de Henriëttepolder bedijkt. Het eilandje, dat in de 19de eeuw is ver­groot door nieuwe inpolderingen, is in 1882 door de Slaakdam verbonden met Noord-Brabant.

Het huidige Stavenisse is ontstaan door de inpoldering van Oud-Kempenshofstede in 1419 en de pol­der Stavenisse c.a. in 1599. Inmid­dels waren de verschillende eilan­den door afdam­ming en inpoldering van geu­len met elkaar verbonden. De laat­ste grote geul, de Pluimpot, die het huidige eiland Tholen in een ooste­lijke en een westelijke helft verdeelde, is in 1556 op twee plaat­sen afgedamd. Het laatste deel van dit water, dat Scherpenisse en Sint-Maartensdijk tot in de 20ste eeuw bereik­baar maakte voor schepen, werd in het kader van de Deltawerken in 1957 gesloten. Dit was, behoudens de demping van de haven van Sint-Anna­land in 1960 en de aanleg van het Rammegors aan de noordzijde van het eiland in 1973, de laatste bedijking. In totaal zijn er circa 70 polders. Poortvliet met Malland is met 1747 ha de grootste polder. De Molenpolder, vroeger ook Al te Klein genoemd, is slechts 3 ha groot. Het totale grond­gebied van de gemeente is 14.827 ha.

 

Landverliezen

Naast de landaanwinsten zijn er ook verliezen geweest, in het bijzonder aan de zuidkant, waar de Scherpenis­sepolder door oever- en dijkvallen met ca. 250 ha werd verkleind. Tot 1623 lag de waterkering hier ongeveer 500 meter meer zuidwaarts dan nu het geval is. In de 19de eeuw gingen bij Stavenisse nog enige inlagen verlo­ren.

Ook door stormvloeden ging grond ver­loren. Een groot aantal malen bedreigde de zee het land. Bij de stormvloeden van 1509, 1530, 1532, 1570, 1682, 1715, 1720, 1808, 1825 en 1906 zijn de dijken van meerdere pol­ders doorgebroken. De welen of wielen (28) zijn restanten van deze overstromingen. De mees­ten zijn ge­dempt. De plaats ervan is dan nog alleen herkenbaar door de extra krom­mingen in dijk.

Ten zuiden van Tholen zijn de in 1403 bedijk­te Broodeloospol­der (70 ha) en de Alteklein­polder respectievelijk in 1570 en 1720 voor­goed verloren gegaan. In de 16de eeuw moest men bij Moggershil aan de westkant na dijk­doorbraken in 1509, 1532 en 1570 een aantal hectaren prijsgeven. De storm­vloed van 1509 was catastrofaal voor het oude Stavenisse en in 1532 ging het in 1487 bedijkte Sint-Philipsland verloren. Tijdens de Februari­ramp van 1953 is ruim de helft van het eiland Tholen en bijna geheel Sint-Philipsland door het zoute water over­stroomd. In Stave­nisse, dat het zwaarst werd ge­troffen, vielen 153 slachtof­fers. Op Sint-Philipsland verdronken 9 perso­nen.

 

Afwatering en herverkaveling

Ook de afwatering van het binnenwater eiste veel zorg. Veelal ontbrak in het verleden het juiste inzicht en de financiering, zodat 's win­ters het water boven het maaiveld stond, dit ondanks aangebrachte verbeteringen, zoals het gebruik van windmolens in de 18de en 19de eeuw te Sint-Maartensdijk en Poortvliet. Normaal kon men bij laagwater via de uit­wate­rings­sluizen voldoende water uit de pol­ders lozen. Het eerste stoomgemaal werd in 1900 voor het waterschap Oud-Vossemeer gebouwd. Later kwamen er ook elders stoom- en motorgemalen. Na de ramp van 1953 is mede door herver­kaveling de afwatering gron­dig gere­organiseerd. De cultuurtechnische werken begonnen in 1954 in de Scher­penisse­polder. Vooral de oudste pol­ders, met name de Poortvlietse Wei­hoek, de Scherpenissepol­der en de Schakerloopolder ondergingen ingrij­pende veranderingen. Zo werd het aan­tal kavels in de Poortvlietse Weihoek van 335 met een gemiddelde grootte van 1,2 ha terug­gebracht tot 85 met een gemiddelde grootte van 5,1 ha. Ook de lengte van de wegen en de wa­terlopen werd verminderd. In het hele herverkavelingsge­bied is het grasland met 33% verminderd. In 1961 werd het grondwerk van de herverkaveling vol­tooid. In totaal gin­gen 15 polders aan de zuidzijde geheel of ge­deelte­lijk op de schop, terwijl op het hele eiland wegen en waterlopen werden rechtge­trokken. Ook zijn enige bin­nendijken afgegra­ven.

 

Deltawerken en Schelde-Rijnkanaal

De Deltawerken en de aanleg van het Schel­de-Rijnkanaal zijn de laatste decennia voor deze regio van grote invloed geweest. Zoals eerder gezegd werd het vaarwater de Pluim­pot, dat Scher­penisse en Sint-Maartensdijk met de Oosterschelde verbond, in 1957 afge­damd bij Gorishoek. De haven van Sint-Maar­tensdijk werd gedempt. De nieuwe polder kreeg voor een deel een agrari­sche bestem­ming. Bij Sint-Maar­tensdijk werd het indus­trieter­rein in de oude zeearm (en de Slab­bekoornpol­der) aangelegd. Tussen deze plaats en de zee kwam het grootste binnendijkse natuurgebied van Tholen te liggen. Ook het landbouwhaventje van Sint-Annaland, even­eens een zwakke schakel in de zeewe­ring, verdween uit het dorpsbeeld. Even buiten de gedempte haven werd echter een moderne jacht- en handelshaven aange­legd, die in 1960 in gebruik werd genomen.

 

De aanleg van het Schelde-Rijnkanaal is van invloed geweest op de oostkant van de ge­meente, in het bijzonder op de bereik­baarheid vanuit Brabant.

Tholen en Sint-Philipsland werden door een dam in de Krabbenkreek ver­bon­den om te ver­hinderen, dat de stroomsnel­heid van de Krabbenkreek naar het diepere Schel­de-Rijn­kanaal de scheep­vaart zou belemmeren.

 

Bestaansmiddelen

De eerste bewoners zullen, zoals el­ders in Zeeland, voorname­lijk van de veeteelt (schapen) hebben ge­leefd. Later werd de landbouw steeds belangrijker. De oud­ste be­woners hielden zich ook bezig met het del­ven van darink (veen), dat werd ge­bruikt voor de winning van zout. Dit product was een belang­rijk conserve­ringsmid­del voor groente, vlees en vis. Zo verkocht graaf Wil­lem III in 1325 een stuk grond in de Bar­telmeetpolder om uit te moeren. Te Tholen stonden in 1340 niet min­der dan 38 zoutke­ten. Dit zout is in de 14de en 15de eeuw ver­drongen door het Fran­se en Portu­gese baai­zout. De verve­ning, die zo­wel bin­nen- als bui­tendijks plaats vond, droeg er toe bij dat er land verloren ging. Het werd dan ook vele ma­len ver­boden, onder meer in 1477 en 1497. De sporen van de bin­nen­dijk­se moerne­ring, een hobbelig maaiveld, zijn door de herver­kave­ling verdwe­nen.

 

In 1380 kreeg de stad Tholen de bevoegdheid meestoven te zetten, waar de wortels van de Rubia tinctorum werden bewerkt tot een rode verf­stof. Sindsdien heeft dit bedrijf tot in de 19de eeuw steun gegeven aan de wel­vaart. Vóór het teniet­gaan van deze bedrijfstak door de uitvinding rond 1870 van de uit steenkool­teer bereide chemische verfstoffen, ston­den er in deze regio 17 meestoven. Met de neergang van het mee­krapbedrijf kwam de opkomst van de teelt van suiker­bie­ten en de oestercultuur. Het laat­ste als specula­tieve belegging voor de welgestelden, die voordien betrok­ken waren bij het mee­krap­bedrijf. Nog altijd is Tholen een agrarisch gebied, waar bijna 10.000 ha cultuurgrond voor de akker­bouw (88%) en als gras­land wordt gebruikt.

 

Met de vestiging van de laatste Rei­mers­wa­lers te Tholen in 1631 schijnt de visse­rij voor de stad Tholen be­langrijker te zijn geworden. In de 18de eeuw is er strijd over de mos­selban­ken bij Axel, in welk geschil de stad bemid­delde. In de­zelfde eeuw zijn er ook moeilijk­he­den met de vis­sers van Bergen op Zoom. Men spreekt zelfs van de Mossel­oor­log. Na de op­rich­ting van het Be­stuur der Visse­rijen op de Zeeuw­se stro­men was de zetel van dit be­stuur tot 1896 te Tho­len gevestigd.

Eerst in de tweede helft van de 19de eeuw is de visserij door de oester- en mosselcul­tures be­langrijk ge­wor­den. Rond de laat­ste eeuw­wisseling had­den bijna honderd hoogaarzen en andere platbodems Tholen als thuis­ha­ven. Door het doodvriezen van de oes­ters in de strenge winter van 1962/63, de aan­leg van de Schelde-Rijnver­binding en de Delta­werken kwam er plotse­ling een eind aan deze cul­tu­res.

 

Bestuur

Er zijn in deze regio 16 heerlijkhe­den ge­weest. De Anna Jaco­ba­polder is in 1847 op het grond­gebied van de gemeente Brui­nisse bedijkt. De stad Tho­len was tot 1795 één van de zeven stemheb­bende steden in de Staten van Zeeland. Het stadje had hier­door ook  invloed op de sa­menstelling van de Sta­ten Gene­raal, het Hof van Holland en Zee­land en de Hoge Raad.

In de Franse tijd wa­ren de heerlijk­heden reeds samengevoegd tot 10 ge­meenten. Na de ophef­fing van Nieuw-Strijen en West­kerke in 1816 zijn de laat­ste 7 gemeenten op Tho­len met ingang van 1 juli 1971 op­geheven en opgenomen in de nieuwe gemeente Tho­len. De be­stuursze­tel werd te Sint-Maartens­dijk gevestigd, even­als het waterschapsbe­stuur na de samen­voe­ging van de polders en water­schappen op Tho­len in 1959. Tien jaar later werd het water­schap Sint-Philip­sland hier­in opgenomen. Het zal nog tot 1 janu­ari 1995 duren voordat ook de gemeen­ten Tholen en Sint-Phi­lipsland wer­den samen­ge­voegd.

 

Fred Van den Kieboom gemeente archivaris Tholen