Goes en zijn 'grote" vaart

Gepubliceerd: 25 september 2018

yms-photo-2018-09-20-22-01-38.jpg - SCEZ OAS

In de late middeleeuwen is Goes een stad die door ‘zeeschepen’ wordt bevaren. Tal van bronnen verwijzen naar scheepsreizen van Goesenaars naar verre kusten in Engeland, Frankrijk, Spanje etc. Omgekeerd komen ook schepen uit deze streken naar Goes. Bekend zijn in de 16de eeuw de schepen met zout uit Bretagne, die ofwel tot Arnemuiden komen en daar hun lading op Goese schepen lossen, ofwel zelf naar Goes varen. Een proceskaart uit 1568, dienend in een geschil tussen Goes en Middelburg, laat zien dat Goes prima bereikbaar is voor grote schepen. Die gaan, blijkens de kaart, voor anker op de rede van Goes ten noorden van de haventoegang. Hier bevindt zich het galgenschor, vermoedelijk is hier ten behoeve van deze grote schepen dan al een soort remmingwerk of havenhoofd geplaatst. (Dekker, Schamele landstede, blz. 400).

 

De belegering van Goes door de Geuzen leidt tot verwoesting van de havenwerken en de bebouwing langs de haven. Niet alleen de vestingwerken moeten daarna worden gemoderniseerd, ook de havenwerken. Honderden arbeiders werken in diverse etappes decennialang aan de vestingwerken; vaak zijn dit grote ploegen grondwerkers van elders. Aan de latere Albert Joachimikade werkt bijvoorbeeld een groep ‘Friezen’ rond 1620. Vermoedelijk aan het begin van de 17de eeuw worden de hoofden aan de haventoegang vernieuwd, met aan de oostkant een lange palenrij die in noordelijke richting vanaf de Oostschans naar het oostelijke havenhoofd loopt. Dit havenhoofd blijft intact als in 1651 de loop van de haven wordt gekanaliseerd. De palenrij komt wat verder van de vaargeul af te liggen en slibt langzaam onder.

 

Diverse keren is in de bronnen sprake van scheepvaartondernemingen vanuit Goes. Dit zijn bedrijven die naast de gewone scheepvaart vanuit Goes actief zijn. Het reguliere schippersgilde biedt plaats aan schippers met kleine of grotere schepen, die alle op de binnenvaart zijn gericht. Er is een vrij onwaarschijnlijk verhaal dat al aan het begin van de 17de eeuw vanuit Goes op Oost-Indië zou zijn gevaren. Uit die tijd zou de windwijzer dateren die op het huidige Soepuus, Kleine Kade 43 staat, en die afkomstig is van de Oude Havenpoort. Feit is dat in die tijd er een schip met de naam Goes of Ter Goes in de Oost-Indische wateren heeft gevaren, maar daarmee is een herkomst uit Goes nog geen vaststaand feit. Nader onderzoek is gewenst.

 

In 1651 richten enkele ondernemers een onderneming De Noordsche Compagnie op, die met de schepen Ter Goes en Hope naar Scandinavië gaat varen. Het ligt voor de hand dat deze compagnie zich op de import van hout gaat richten, temeer daar kort daarop houthandelaar Harinck zich in Goes vestigt en hier een houtzaagmolen sticht. Een tweede onderneming met grote schepen (zogenaamde Hoekers) komt in 1721 tot stand. De schepen krijgen de naam Goes en Zuid-Beveland. Uit een toevallige vermelding in een notarisakte uit 1730 blijkt, dat in ieder geval het schip Goes dan wordt geprepareerd voor een tocht naar de Bocht van Guinea. Beide ondernemingen maken zonder enige twijfel gebruik van de havenwerken aan het begin van de haven van de stad. Met name die aan de oostzijde van de haven is daarvoor geschikt, omdat hier beschutting voor de westenwind is te vinden. Met het verder aanslibben van de vaarwegen ten noorden van de haven in de loop van de achttiende eeuw wordt Goes steeds minder geschikt voor zeeschepen.

 

Bijdrage:  F. de Klerk (gemeentearchief Goes)

Foto: oostelijke havenhoofd aangetroffen tijdens onderzoek in september 2018. Bron: Artefact! advies en onderzoek in Erfgoed

<< Terug naar overzicht